journalist

Daniel Romano maakt outcastcountry

De snor is eraf en de hoed blijft aan de kapstok. Don’t judge a man by the size of his hat. Of: misplaats deze muzikant niet die ongeacht de look vooral troostende songs voor outcasts wil zingen. Tijdens de laatste show van zijn Europese zegetocht oogt de gehypete Daniel Romano meer als een rockende Ryan Adams dan als de campy countryster die op doorbraakplaat Come Cry With Me staat. “Ik wil niet ‘de man in het pak’ zijn.”

Tekst: Dirk Verhoeven
Beeld: Peter Hageman

©  Peter Hageman

© Peter Hageman

Daniel Romano doet dan ook in spijkergoed een rookpauze tussen zijn middag- en avondconcert in TivoliVredenburg. Om vervolgens de kleedkamer te betreden waar zijn His Trilliums Band de haren aan het lakken is. De cowboys zijn grotendeels verruild voor in witte vijftigerjarenjurkjes gestoken meiden. “Het was vandaag mijn eerste middagshow ooit. Puur omdat de tickets zo snel liepen boekten ze deze bij en ging er een matinee aan het avondconcert vooraf. Er is een groot verschil in ontvangst hier ten opzichte van de Verenigde Staten of mijn thuisland Canada. Ik zou willen dat ik het kon verklaren. De westerse muziekmarkt is verzadigd, mensen zijn afgemat. Maar hier is het publiek opgewonden over mijn muziek, vooral in Nederland.”

“We spelen trage, donkere countrysongs als ‘There Are Lines in My Face’ live met meer rock-‘n-roll dan op plaat. De apparatuur en de zalen waarin we spelen zijn voor dat format gemaakt. Als je probeert als een Hank Williamsplaat te klinken dan ga je niemand bereiken. Mensen verwachten een zekere klap, een zeker niveau aan decibellen en dat niveau moet je halen om niet tekort te schieten. Soms zoeken we bewust naar een tweede leven, een tweede intonatie voor een oude song. Ik maak me geen zorgen over deze variaties tussen plaat en live-uitvoering. Het moet voor mij goed voelen.”

De band voelt zich zichtbaar goed en het is duidelijk de laatste show in de rit. Romano’s violiste en vriendin is tussendoor drukdoende met WhatsApp en jolige foto’s van de gezette en bebaarde – tevens in spijkergoed gestoken – lapsteelgitarist. Daniel: “Ik draag de pakken en hoeden die ik op de cover van mijn vierde album aanheb zelden in werkelijkheid. Daar bij die hoes eindigt de truc. Ik weet niet of mensen teleurgesteld raken dat ik dat gekke kostuum niet draag. Maar ik wil niet ‘de man in het pak’ zijn. Ik focus mij op schrijven en optreden. Ik hou van de creatieve kant van deze industrie. Toen ik jonger was en in een punkband (Attack in Black, red. DV) zat hadden we geen geld, dus ik moest leren hoe je bijvoorbeeld een hoes moest ontwerpen, want we konden er niemand voor inhuren. Hetzelfde geldt voor de leerbewerking die ik zelf doe. Het dient uiteindelijk allemaal hetzelfde doel.”

©  Peter Hageman

© Peter Hageman

Klein gat
Opa zong liedjes uit de jaren twintig en dertig voor hem, zoals Ernest Tubb’s ‘Soldier’s Last Letter’. Vader was meer van de tweede generatie countryrockers als The Flying Burrito Brothers, terwijl Romano’s enige held George Jones heet. Over de manier waarop zijn neotraditionele stijl binnen gedefinieerde countryhoeken wordt geplaatst is hij heel helder. “De platenindustrie is geobsedeerd door genres. Ik weet niet in welk hokje of in welke stroming ik ‘hoor’. Ik probeer er niet over na te denken, want het betekent niks. Als je al je energie gaat stoppen in een klein gat wat een ander voor je bedacht heeft, dan verspil je al je kracht. Ik lees geen recensies en kijk geen shows terug, om niet te zeer in troep te belanden. Ik weet wat slecht is en wanneer het beter moet. Door te groeien als schrijver en door mijn achtergrond en inspiraties te blijven respecteren. Ik noem mijn muziek ‘mosey’. De term bedacht ik puur opdat mensen ophielden me te noemen wat ik niet ben. Ik wil niet vastlopen omdat ik op een bepaalde manier zou moeten klinken. Maar iedereen waar ik van hou is ‘mosey’.”

“De enige goedgeschreven liedjes tegenwoordig zijn popsongs. Gisteren viel ik in slaap terwijl ik naar Teen Nick TV keek, ik weet ook niet waarom. Alle shows gaan over hoe geweldig je bent en hoe perfect het leven is. Dat is het thema wat in die tienerbreinen getransporteerd wordt. ‘Alles komt goed, school is te gek en iedereen houdt van je.’ Ik dacht alleen maar: dit is zo fucked up. Dat is níét het werkelijke leven. Dat gaat misschien op voor drie procent van de mensheid. Ik heb het gevoel dat de muziekindustrie van Nashville hetzelfde doet. ‘Neem een biertje, neem je superhete vriendin mee naar de rivier en doe waar je zin in hebt, gast.’ Bwah. Het is therapie in plaats van omgaan met wat er werkelijk aan de hand is. Ik heb meer interesse voor de realiteit. Als er een realistisch element in muziek zit wat je dichter bij jezelf brengt en verder weg van jezelf misplaatst voelen – omdat de maatschappij je een bepaalde wijze oplegt hoe je zou moeten zijn – dan geeft dát dat stukje muziek zijn validiteit.”

©  Peter Hageman

© Peter Hageman

Melodrama
Romano neemt een hap van zijn koud geworden avondeten. “Er zijn veel tekstelementen in mijn liedjes die verrassend genoeg te relateren zijn aan de mensen die naar mijn songs luisteren. Ook al hebben ze dergelijke problemen misschien niet direct meegemaakt, luisteraar en liedtekst zijn onafscheidelijk verbonden. Als je het goed uitwerkt, dan dient de tekst zijn doel, zoals je slecht voelen om je beter te gaan voelen. Je moet maar hopen dat wat je maakt doel treft. Als ik de tekst die ik schrijf maar aan mezelf kan verbinden. Als ik een bepaalde liedregel ga betwijfelen, sneuvelt de song meestal. Je voelt dat wel aan. Het moet klinken alsof de verteller van dat melodramatische verhaal het zelf heeft meegemaakt, opdat je als luisteraar in diens schoenen kan gaan staan. Het enige testpubliek ben ikzelf en vervolgens mijn band. Omgeef jezelf met goede, bekwame mensen, dat is belangrijk.”


Dit interview verscheen in oktober 2014 op KindaMuzik.nl.